
Het jong van een Blauwe Rus is een vat vol tegenstellingen. Zoals zijn uiterlijk verandert, zo verandert ook zijn gedrag. Het jong is bijna elke dag een andere kat. Wie het dier in de eerste maanden observeert, kan nauwelijks geloven dat deze kleine wervelwind met een ruig ogende pels op een dag uitgegroeid is tot een mooie zilverachtige kat. Het is eveneens moeilijk voor te stellen dat de hemelsblauwe ogen in een paar weken veranderen in intens groene ogen met een licht melancholische glans.
De
Blauwe Rus doorloopt meer ontwikkelingsfasen als andere kattenjongen, het leeft
meer levens gelijktijdig. De ene dag loopt het lief en elegant door de woonkamer,
laat zijn klauwen niet zien en wrijft zich spelend tegen je aan. De andere dag
sluipt het als een panter door het huis, kruipt in je broekspijp en krabt zich
een weg naar boven. Deze fase begint meestal al na acht weken en duurt tot het
jong een jaar oud is. Meer dan vier maanden lang zorgt deze kleine booswicht
voor steeds nieuwe verrassingen. Het ene moment toont hij zijn tanden, furieus,
waar hij zich een moment eerder nog liet strelen. Nog een beetje later loopt
het kleine monster afwezig rond onze benen, met grote ogen en met een gefronst
voorhoofd. Alsof het nadenkt, met de tongpunt uit zijn muil.
Bij
zijn eerste verhuis na twaalf weken reageert de Blauwe Rus meestal panikerig.
Urenlang loopt hij rusteloos rond, op zoek naar broers en zussen, naar de moeder
en de vertrouwde omgeving. Hij houdt zich afzijdig bij de mieuwe mensen en hij
gedraagt zich schuw. Na een aanpassingsperiode van ongeveeer twee dagen echter
begint hij zich thuis te voelen. Eén iemand zoekt hij zich uit. Die persoon
wordt zijn één en alles. Die persoon volgt hij op de voet, nooit opdringend,
eerder zacht en volhardend. Aan die persoon richt hij een stil ´mi´, als hij
iets duidelijk wil maken. De Blauwe Rus accepteert natuurlijk ook de andere
twee- en viervoeters, waarmee hij het huis deelt, hoewel die ook meermaals kennis
maken met de duivel in hem. Ten opzichte van die ene persoon gedraagt hij zich
bijna uitsluitend als een toegewijd engeltje.

Een goed opgevoede Blauwe Rus-baby is niet agressief, niet schuw, noch overdreven
afhankelijk van de mens. Vooral in het zonlicht moet men deze slanke en lichtvoetige
Blauwe Rus observeren. Het licht laat de pels zilverachtig glanzen, van het
puntje van de neus tot onder aan de poten. Wondermooi zijn ook de jaden, de
smaragdgroene ogen, die nauwelijks knipperen en niet tranen. Het harenkleed
is vrij dicht als dik fluweel, zijdig en zacht. De typische zilverglans is te
danken aan de nauwelijks waarneembare kleurloze uiteinden van de haren.
Zoals
dit ras is er geen tweede.